Campagne ‘Biologisch, dat smaakt naar meer’ van start

Deze week is de consumentencampagne rond biologische producten van start gegaan. De campagne is in opdracht van het ministerie van LVVN ontwikkeld. De campagne richt zich op mensen die al positief staan tegenover biologisch, maar het nog niet vanzelfsprekend in hun boodschappenmandje leggen. Uit onderzoek blijkt dat consumenten vaak niet automatisch aan biologische varianten denken tijdens het winkelen. De campagne wil dit veranderen door biologisch te koppelen aan herkenbare eetmomenten, zoals het ontbijt. Het creatieve concept draait om de boodschap dat achter biologisch voedsel een hele wereld schuilgaat. Van de boer die met aandacht werkt, tot het leven in de bodem, het water en de biodiversiteit. Door deze wereld laag voor laag zichtbaar te maken, krijgt biologisch meer betekenis en gevoel. Ook de uitvoering van de campagne sluit hierbij aan.

De campagne is te zien en te horen op televisie, online video, radio en diverse online kanalen. Met deze campagne hoopt LVVN consumenten te inspireren om vaker bewust voor biologisch te kiezen. Meer over de campagne, de video van de commercial en de hierop afgestemde materialen vindt u op de website Alles over biologisch.

Kabinet: keten moet meedoen in verduurzaming

In het Kamerdebat over grondbeleid en verdienvermogen heeft minister Van Essen van LVVN nogmaals benadrukt dat de hele keten bij moet dragen aan verduurzaming. Extensivering en omschakeling naar biologische landbouw vormen een belangrijk onderdeel van de natuur- en stikstofplannen van het kabinet. Het kabinet wil daarom dat ook dat de voedselverwerkende industrie en supermarkten zich inzetten voor vergroting van afzet van biologische voeding en een deel van het risico en de kosten voor hun rekening nemen. Vóór 1 april moeten verwerkers, supermarkten en andere ketenpartijen harde afspraken maken. Lukt dat niet dan worden maatregelen aan deze partijen opgelegd.

Vanuit verschillende partijen is er zorg over de internationale concurrentiepositie en nationalisme op gebied van voedsel. De minister ziet echter ook kansen in het benutten van de Nederlandse afkomst van voeding.

ACM: meer inspanning nodig om duurzaamheidsdoelen te halen

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) ziet de duurzaamheidsdoelstellingen voor 2030 niet gehaald worden als er geen extra actie wordt ondernomen. Verdere verduurzaming is alleen te realiseren als het prijsverschil tussen gangbare producten en producten met een duurzaamheidskeurmerk kleiner wordt. De export is gebaat bij verkoop van producten met een keurmerk dat buiten Nederland herkend wordt en waarde heeft. Nederlandse duurzaamheidskeurmerken zijn in het buitenland vaak niet bekend of herkenbaar.

De ACM roept het ministerie van LVVN op om de binnenlandse vraag naar producten met een duurzaamheidskeurmerk te stimuleren. Martijn Snoep, bestuursvoorzitter van de ACM: “Zonder extra actie raakt de verduurzamingsdoelstelling voor de landbouw uit zicht. Boeren die overschakelen naar productie met minder milieubelasting maken extra kosten, maar krijgen daar in veel gevallen niet genoeg voor terug. Zolang consumenten een goedkopere gangbare keuze hebben, zijn veel consumenten niet bereid om meer te betalen. Het prijsverschil moet daarom kleiner worden.”

Uit de vijfde (en laatste) Agro-Nutri Monitor van de ACM blijkt de meerkosten voor duurzame productiemethoden niet worden gedekt vanuit de prijs. Vooral boeren die biologische producten produceren, ontvangen gemiddeld een lagere meerprijs dan nodig is om hun extra kosten te dekken. De ACM adviseert het ministerie daarom om beleidsmaatregelen te richten op het structureel verkleinen van het prijsverschil tussen gangbare producten en producten met een duurzaamheidskeurmerk. Dat kan door de milieukosten en maatschappelijke kosten van producten te verwerken in de consumentenprijs. Gangbare producten worden daardoor relatief duurder, omdat deze kosten nu onvoldoende in de verkoopprijs zijn verwerkt.

Sector en banken vragen flexibelere financiering van verduurzaming

Boerenbedrijven die willen verduurzamen hebben behoefte aan een flexibeler financieringsinstrument, zo bericht Nieuwe Oogst. In een rondetafelgesprek van de Tweede Kamer met afgevaardigden uit de bankensector en het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL). In de praktijk blijkt het voor boeren moeilijk om een bedrijfsplan te maken en een succesvolle aanvraag in te dienen. Fondsmanager Rob van Eijck gaf aan dat het fonds wil voorkomen dat boeren in de toekomst bij nieuwe regelgeving opnieuw moeten investeren.

Jan Arie Koorevaar (CDA) en Wim Meulenkamp (VVD)pleiten voor een fonds met een lichtere toets, bijvoorbeeld voor boeren die een kleinere verduurzamingstap willen maken of samenwerkingsprojecten op het gebied van waterberging of groen gasproductie. Zulke initiatieven komen nu niet in aanmerking voor een IDL-financiering. WUR-onderzoeker Gerard Migchels, lid van de IDL-beoordelingscommissie, ziet een lichtere vorm eveneens zitten: “Er is een grote groep boeren die minder ver zijn in het verduurzamen van hun bedrijf dan de eisen die wij als IDL stellen. Daar zou ook een financieringsmodel voor moeten komen.”

Onderzoek naar effect van mestsoorten op bodem in Fries veenweidegebied

Het Louis Bolk Instituut (LBI) heeft de bevindingen uit een vijfjarige proef naar effecten van verschillende mestsoorten op veenweidegrond gepubliceerd. In opdracht van Veenweide Fryslân is gekeken naar de effecten van verschillende mestsoorten op het bodem-organische-stofgehalte, de bodemstructuur, het bodemleven, de waterregulatie en de grasproductie. De proef werd uitgevoerd op een graslandperceel nabij Koufurderrige (Zuidwest Friesland). Op een graslandperceel met een zwaar venig-kleidek en een schalterlaag op 20 tot 40 cm onder maaiveld, zogenaamd ‘schalterveen’, werden effecten van verschillende mestsoorten onderzocht. De mest variëren in stikstof-, stikstof-mineraal en organische stofgehalte, te weten dunne fractie, drijfmest, dikke fractie, vaste mest en bokashi, werd vergeleken met een onbemeste controle, een behandeling met kunstmest en een behandeling waarin enkel stro werd toegepast.

De veldproef leverde kennis op over de effecten van verschillende mestsoorten (bij aanwending van 200 tot 170 kg stikstof-totaal per hectare) op bodem-organische stof, waterregulatie, regenwormen en grasproductie:
• Met name dikke fractie en bokashi, hadden positief effect op bodem-organische stof.
• De hogere bodem-organische stofgehaltes resulteerden in een betere bodemstructuur en een betere waterinfiltratie(trend). Er was geen effect op de waterafstotendheid van de bodem.
• Alle mestsoorten, maar vooral dikke fractie, hadden positief effect op het aantal regenwormen, vergeleken met de controle zonder bemesting.
• Er was geen duidelijk behandeleffect op het aantal strooisel bewonende regenwormen.
• Er was geen verschil in het aantal pendelende regenwormen. Deze wormen maken diepe gangen die de negatieve effecten van de schalterlaag mogelijk kunnen beperken.
• De grasopbrengst was het hoogst voor behandelingen met een hoge N-beschikbaarheid en lager voor mestsoorten waar de stikstof vooral in organische vorm aanwezig is.
• Er was geen enkele mestsoort de beste, maar verschillende mestsoorten kunnen wel (in combinatie) worden ingezet om specifieke doelen te behalen.

Voorstel Friese stikstofaanpak naar Provinciale Staten

Gedeputeerde Staten van Friesland hebben het voorstel voor de Friese Aanpak Stikstofreductie en Natuurherstel vastgesteld waarna Provinciale Staten er eind oktober over zal besluiten. De aanpak bestaat uit vier onderdelen:
– extra natuurherstel binnen de Friese Natura 2000-gebieden
– natuurherstelmaatregelen buiten deze gebieden waar nodig
– provinciebrede maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen
– extra gebiedsgerichte aanpak voor de drie zwaarst belaste Natura 2000-gebieden in Zuidoost Friesland
Deze zwaarst belaste gebieden zijn gebieden zijn het Fochteloërveen, de Bakkeveense Duinen en het Drents-Friese Wold en Leggelderveld.

Het doel is om de ammoniakuitstoot met 30% te verminderen ten opzichte van het jaar 2019. Boeren krijgen zoveel mogelijk ruimte om zelf in te vullen hoe ze de doelen willen halen. In 2030 is een evaluatiemoment gepland. Nadat Provinciale Staten hebben ingesteld met de aanpak wordt een uitvoeringsprogramma uitgewerkt.

Extra geld voor Drentse stoppersregeling

De provincie Drenthe verhoogt het budget voor de Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging veehouderijlocaties. Het budget van aanvankelijk 11,1 miljoen euro wordt verhoogd naar ruim 30 miljoen euro. De stoppersregeling was afgestemd op bedrijven die op korte afstand van een Natura 2000-gebied liggen. Deze afstand is nu vergroot naar 2,5 kilometer omdat boeren in een ruimere straal aangaven geïnteresseerd te zijn en het aantal belangstellenden op korte afstand tegen viel. Boeren die gebruik maken van de regeling mogen niet elders een ander veehouderijbedrijf overnemen of opstarten. Met boeren die buiten de gestelde grenzen actief zijn wil de provincie alsnog in gesprek.

Einde aan gedoogregeling voor bovengronds uitrijden

De gedoogregeling voor het bovengronds uitrijden van mest stopt met ingang van het volgende uitrijdseizoen. Minister Van Essen heeft dat besloten na wetenschappelijk onderzoek Wageningen University & Research (WUR) en het Louis Bolk Instituut (LBI), waaruit zou blijken dat bovengronds uitrijden geen significante voordelen heeft maar wel een hogere ammoniakemissie oplevert dan mestaanwending in de bodem. Uit het onderzoek blijkt dat bij insnijden of injecteren van mest, minder ammoniak naar de lucht verdwijnt, waardoor er meer stikstof in de bodem behouden blijft voor het gewas. Deze methode zorgt bij grasland voor een betere stikstofopname en een hogere gewasopbrengst ten opzichte van bovengronds uitrijden. Er zijn geen duidelijke verschillen geconstateerd voor de effecten op korte en langere termijn voor het bodemleven (aantallen en biomassa van regenwormen, nematoden, bacteriën en schimmels).

In het onderzoek zijn ook de kenmerken van 40 melkveebedrijven in kaart gebracht. Bedrijven die mest bovengronds uitrijden, hebben gemiddeld een extensievere bedrijfsvoering met een lagere melkproductie en minder kunstmestgebruik. Daardoor bevat hun drijfmest gemiddeld minder stikstof en ammonium. Op het gebied van bodemkwaliteit en gassen kwamen de volgende inzichten naar voren:
– Bodemstructuur en beworteling: op percelen waar langdurig bovengronds mest is uitgereden, werd een betere bodemstructuur en beworteling gemeten. Dit hangt waarschijnlijk samen met het gebruik van lichtere machines bij bovengrondse toediening ten opzichte van zwaardere mestinjecteurs.
– Scheurvorming bij droogte: op kleihoudende percelen kan bij aanhoudende droogte meer scheurvorming optreden langs de snedes van de zodenbemester.
– Lachgas en nitraat: zodenbemesting leidt tot een hogere emissie van lachgas (een broeikasgas), doordat er meer stikstof in de bodem wordt gebracht. De toedieningstechniek had geen effect op het risico voor nitraatuitspoeling.

De Natuurweide-voorzitter Sybrand Bouma vindt de beslissing te kort door de bocht. Hij benadrukt in een reactie in Sterke Erven dat naast genoemde onderzoek ook andere onderzoeken lopen (in het kader van het versnellingsspoor biologische melkveehouderij) naar mestsamenstelling en ammoniakemissies van biologische bedrijven. Deze bedrijven werken met rantsoenen met een laag eiwitgehalte en relatief weinig mest toedienen. Bouma: “Daar moet veel beter naar gekeken worden. Als je al boert met weinig mest en lage emissies, moet je al die bedrijven dan op kosten gaan jagen om mest in de grond te injecteren? Je scheert dan alle bedrijven over dezelfde kam; dat is niet reëel.”

In hetzelfde artikel spreekt ook de VBBM zich uit tegen het stopzetten van de gedoogregeling. Mest injecteren in de bodem is volgens de vereniging juist wel schadelijk voor het bodemleven. De ammoniakemissie verplaatst zich dan naar de bodem. Mest moet rijpen, en niet rotten in de zuurstofarme omgeving onder de grond, vindt de VBBM. Mest heeft licht en zuurstof nodig om door bodembacteriën te kunnen worden omgezet tot voeding voor het gewas.

Kabinet formuleert nieuwe normen voor dierenwelzijn

In de ministerraad van eind vorige week is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) voor een dierwaardigere veehouderij vastgesteld. Staatssecretaris Erkens heeft de AMvB naar de Tweede Kamer gestuurd. De maatregelen hieruit moeten in de periode tot aan 2040 worden ingevoerd. De verwachting is dat de eerste regels per 2028 in werking treden. Met de nieuwe regels wordt voor de veehouderijsector duidelijk hoe melkvee, vleesvee, kalveren, varkens en kippen in de toekomst op een meer dierwaardige manier moeten worden gehouden. Daarbij is gekeken naar de uitvoerbaarheid in de praktijk, de economische gevolgen voor veehouderijbedrijven en de mogelijkheden binnen vergunningen. Waar mogelijk wordt gewerkt met doelvoorschriften. Hierbij staat het doel staat vast, maar hebben boeren ruimte om te bepalen hoe zij doelen op hun bedrijf gaan bereiken. De regels sluiten aan bij het convenant dat vorig jaar is gesloten met agrarische partijen, de Dierenbescherming en markt- en ketenpartijen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande stallen. Zo kunnen veehouders die nieuwe stallen laten bouwen zowel aan de emissieregels als maatregelen voor dierenwelzijn voldoen. Niet alle maatregelen worden direct of volledig ingevoerd. In sommige gevallen krijgen veehouders langer tijd om de omslag haalbaar te maken en wordt het risico beperkt dat productie naar het buitenland verdwijnt, waar vaak met lagere dierenwelzijnsstandaarden wordt gewerkt.

Om de omslag naar een meer dierwaardige veehouderij moeten ook consumenten vaker kiezen voor producten met extra aandacht voor dierenwelzijn. Staatssecretaris Erkens maakt daarom begin volgend jaar afspraken met markt- en ketenpartijen zoals supermarkten, verwerkers en foodservicebedrijven.

Troonrede: miljoenen voor bedrijfsplannen, bedrijfsaanpassingen en agrarisch natuurbeheer

Het kabinet is voornemens om de begroting voor landbouw op peil te houden. Daarnaast komt 231 miljoen euro beschikbaar voor boeren om hun bedrijfsvoering aan te passen. Dan gaat het o.a. om stalaanpassingen en aanpassingen in voer maar ook het opstellen van een bedrijfsplan gericht op het optimaliseren van de bedrijfsvoering. Om innovaties, ook in managementmaatregelen, te testen is 50 miljoen euro beschikbaar. Voor natuurbeheer en natuurherstel wil het kabinet 423 miljoen euro vrijmaken. Voor agrarisch natuurbeheer komt een half miljard euro beschikbaar waarmee het totale beschikbare bedrag voor agrarisch natuurbeheer richting de 1,5 miljard euro gaat. De bedragen komen uit het pakket van 20 miljard euro dat het kabinet in wil zetten in het kader van de stikstofaanpak. Eerder waren de Peel en de Veluwe aangewezen als prioritaire gebieden. Daar worden nu een aantal andere gebieden toegevoegd, zoals Noordwest-Overijssel, het Groene Hart en een gebied in het noorden bestaande uit het Drents-Friese Wold, het Duurswold, Aldeboarn-De Deelen, Fochteloërveen en de Bakkeveense Duinen. In deze gebieden gelden strengere eisen rond Natura 2000-gebieden, wordt meer nadruk gelegd op extensieve landbouw en omschakeling en wordt ingezet op grondgebondenheid en natuurherstel.