Onderzoekers van Wageningen Social & Economic Research (WSER) hebben een analyse gemaakt van de te verwachten gevolgen van het kabinetsplannen rond landbouw, natuur en stikstof. Deze plannen vragen veel van boeren en de sector. Projectleider Petra Berkhout: “De maatschappij vraagt met dit beleid van boeren: breng je emissies omlaag. Dat vraagt om forse aanpassingen en investeringen op boerenbedrijven. Niet elke boer kan of wil dat doen- zelfs niet met steun uit het stikstoffonds – bijvoorbeeld vanwege de locatie waar het bedrijf zich bevindt. Dat betekent dat we verwachten dat op termijn 10-30% van de veehouders zal kiezen voor bedrijfsbeëindiging, vanwege het maatregelpakket.”
De verwachting van de onderzoekers is dat vooral grotere bedrijven in stand blijven. Hun schaalgrootte en economische slagkracht maakt ze kansrijker om grond te verwerven en investeringen te doen en terug te verdienen. Extensieve bedrijven hebben een grotere kans doelen te halen en kleine bedrijven hebben vaak een neventak ernaast die aanvullend inkomen genereert. Voor de middencategorie bedrijven ligt het lastiger volgens Berkhout: “Het zijn de middelgrote bedrijven die de komende tijd moeilijke keuzes moeten maken: gaan we investeren, verder verduurzamen en uitbreiden, of gaan we extensiveren en er iets anders bij doen? Bij deze afweging is stikstof niet de enige kwestie op het boerenerf. Ook op beleidsterreinen als dierenwelzijn en waterkwaliteit vraagt de maatschappij boeren om forse aanpassingen, die lang niet altijd worden terugverdiend in de markt.”
De onderzoekers noemen het cruciaal dat de vergunningverlening weer op gang komt. Bedrijven moeten duidelijkheid krijgen over de vergunningssituatie van bedrijven. Veel veehouders leven daarover in onzekerheid (PAS-melders, interimmers). Zonder de benodigde duidelijkheid weten ondernemers niet waar ze aan toe zijn. Daarmee blijft de onzekerheid en terughoudendheid om te investeren in emissiereductie.
Over de voedselzekerheid hoeft ons land geen zorgen te hebben. Alleen voor rundvlees geldt dat Nederland meer importeert dan er geëxporteerd wordt. Voor alle andere dierlijke producten geldt dat Nederland anderhalf tot negen keer meer produceert dan consumeert. Ook op Europees niveau leidt een afname van de Nederlandse productie niet tot een lagere fysieke beschikbaarheid van dierlijke producten.
