Einde aan gedoogregeling voor bovengronds uitrijden

De gedoogregeling voor het bovengronds uitrijden van mest stopt met ingang van het volgende uitrijdseizoen. Minister Van Essen heeft dat besloten na wetenschappelijk onderzoek Wageningen University & Research (WUR) en het Louis Bolk Instituut (LBI), waaruit zou blijken dat bovengronds uitrijden geen significante voordelen heeft maar wel een hogere ammoniakemissie oplevert dan mestaanwending in de bodem. Uit het onderzoek blijkt dat bij insnijden of injecteren van mest, minder ammoniak naar de lucht verdwijnt, waardoor er meer stikstof in de bodem behouden blijft voor het gewas. Deze methode zorgt bij grasland voor een betere stikstofopname en een hogere gewasopbrengst ten opzichte van bovengronds uitrijden. Er zijn geen duidelijke verschillen geconstateerd voor de effecten op korte en langere termijn voor het bodemleven (aantallen en biomassa van regenwormen, nematoden, bacteriën en schimmels).

In het onderzoek zijn ook de kenmerken van 40 melkveebedrijven in kaart gebracht. Bedrijven die mest bovengronds uitrijden, hebben gemiddeld een extensievere bedrijfsvoering met een lagere melkproductie en minder kunstmestgebruik. Daardoor bevat hun drijfmest gemiddeld minder stikstof en ammonium. Op het gebied van bodemkwaliteit en gassen kwamen de volgende inzichten naar voren:
– Bodemstructuur en beworteling: op percelen waar langdurig bovengronds mest is uitgereden, werd een betere bodemstructuur en beworteling gemeten. Dit hangt waarschijnlijk samen met het gebruik van lichtere machines bij bovengrondse toediening ten opzichte van zwaardere mestinjecteurs.
– Scheurvorming bij droogte: op kleihoudende percelen kan bij aanhoudende droogte meer scheurvorming optreden langs de snedes van de zodenbemester.
– Lachgas en nitraat: zodenbemesting leidt tot een hogere emissie van lachgas (een broeikasgas), doordat er meer stikstof in de bodem wordt gebracht. De toedieningstechniek had geen effect op het risico voor nitraatuitspoeling.