TNO meet dagelijks ammoniakverdeling over Nederland

TNO maakt met dagelijkse ammoniakmetingen inzichtelijk hoe ammoniak verdeeld is over het land. Aanvankelijk werden deze dagelijkse metingen alleen door zes landstations gedaan. Deze stations meetten uurgemiddelde concentraties. Daarnaast wordt op 357 locaties (96 natuurgebieden en in 18 gebieden buiten de natuur) maandgemiddelde concentraties gemeten door RIVM in het Meetnet Ammoniak Nederland. Satellietmetingen kunnen helpen om modellen te verbeteren die stikstofdepositie in de natuur te berekenen en effecten van beleid en maatregelen te toetsen. Satellietmetingen geven dagelijks (over een groot gebied) inzicht in de ammoniakverdeling zonder last te hebben van de samenstelling van de atmosfeer. Daarmee vermindert de onzekerheid over emissies, transport en depositie van ammoniak. Ook locaties op de grond waar nog niet gemeten werd kunnen zo in kaart worden gebracht. Doordat dagelijks data worden verzameld, is de verspreiding van ammoniak beter te volgen en kan deze beter herleid worden tot de bron.

Kamerbrief kondigt Strategische Agenda Voedselzekerheid aan

Staatssecretaris Erkens van LVVN geeft in een Kamerbrief aan dat er gewerkt gaat worden aan een Strategische Agenda Voedselzekerheid. Internationale spanningen, crisissituaties en daaruit voortkomende prijsstijgingen zijn de aanleiding om hier beter op voorbereid te zijn en afhankelijkheid van ‘het buitenland’ te verminderen. Wageningen Social & Economic Research gaat een quick scan uitvoeren over een mogelijke afsluiting van de Straat van Hormuz. Ook klimaatverandering en extremere weersomstandigheden, plant- en dierziekten, natuurrampen en verstoringen in transport en energievoorziening maken ons voedselsysteem kwetsbaarder. De staatssecretaris wil de weerbaarheid van het Nederlandse voedselsysteem versterken met een integrale en breed gedragen aanpak.

Bij deze aanpak is de Food and Agricultural Organization (FAO)-definitie van voedselzekerheid het vertrekpunt: iedereen heeft op ieder moment fysieke, sociale en economische toegang tot voldoende, veilig en voedzaam voedsel dat voldoet aan geldende voedselvoorkeuren en dieetbehoeften voor een actief en gezond leven. Hieronder vallen vier onderdelen:
1. Beschikbaarheid: de fysieke aanwezigheid van voldoende voedsel, mede afhankelijk van productie, distributie, voorraden en handel.
2. Gebruik: de kwaliteit en veiligheid van voedsel.
3. Toegang: de fysieke bereikbaarheid en betaalbaarheid van voedsel.
4. Stabiliteit: het vermogen van het voedselsysteem om schokken op te vangen.
Stabiliteit en beschikbaarheid staan centraal in de Nederlandse Voedselzekerheidsagenda, met ene focus op verstoringen.

De staatsecretaris wil in samenwerking met stakeholders concrete acties, maatregelen en scenario’s uitwerken. Ook partijen die verantwoordelijk zijn voor de randvoorwaarden van voedselvoorziening zullen hierin betrokken worden. Voor de zomer van 2027 wil de staatssecretaris de definitieve Voedselzekerheidsagenda aan de Tweede Kamer presenteren.

 

Kamerbrief over ontwikkeling biologisch areaal en bio-afzet

In een Kamerbrief heeft minister Van Essen van LVVN een update gegevens over de uitvoering van het Actieplan biologische landbouw. Op 1 juni 2026 bedroeg het biologisch landbouwareaal ruim 103.000 ha, inclusief percelen die in omschakeling zijn. Dat bedraagt 5,8% van het totale landbouwareaal. Hoewel uit rapportages van Bionext en de Agro Vertrouwensindex blijkt dat de biologische markt groeit en er vertrouwen is in de sector, is er nog werk aan de winkel volgens de minister. Hij beoordeelt de ambitie van 15% biologisch landbouwareaal in 2030 als niet haalbaar.

Minister Van Essen onderschrijft het belang van een synchrone ontwikkeling aan de aanbod- en de vraagzijde. De consumentencampagne om biologische voeding en het biologische keurmerk bekender te maken heeft enig effect gehad. Enkele supermarkten hebben doelstelling ten aanzien van het biologische aandeel in hun assortiment en hun omzet bekend gemaakt. Dit geldt voor Albert Heijn, Jumbo, Plus en Lidl. Sommige retailers zetten in op een vervangingsstrategie voor bepaalde producten. In januari is met zuivelbedrijven en retailbedrijven een werksessie belegd om te verkennen of zij doelstellingen willen formuleren voor biologische zuivel en kaas in hun assortiment. Albert Heijn heeft zuivelpartner Royal A-Ware gevraagd op zoek te gaan naar biologische boeren en omschakelaars, omdat er vraag is uit de markt. Zuivelverwerker Farm Dairy heeft aangekondigd in verwerking van biologische zuivel te stappen.

In de Foodservice wordt gewerkt aan het vergroten van het biologische aandeel, met de focus op de zorgsector. Cateringbedrijven vergroten het aandeel biologisch in bedrijfsrestaurants. De Rijksoverheid wil het aandeel biologisch in de eigen inkoop verhogen naar 25%. Het aantal Bioregio’s in Nederland groeit gestaag (nu zes). Een landelijke netwerkorganisatie werkt aan kennisuitwisseling en stimulering van nieuwe regio’s.

Aan de aanbodzijde worden voor de zuivelsector inspiratie- en kennisdagen georganiseerd, waarbij gangbare melkveehouders zich kunnen laten informeren door biologische collega’s. In het toewijzingsbeleid en pachtbeleid worden de biologische belangen beter meegenomen door het Rijksvastgoedbedrijf, Staatsbosbeheer, provincies, gemeenten en waterschappen.

Gemeenten en provincies mogen probleemwolven afschieten

Staatssecretaris Erkens van LVVN geeft gemeenten en provincies meer ruimte om probleemwolven af te schieten, zo meldt de NOS. Als mensen worden aangevallen of gedurende twee weken meerdere dieren zijn aangevallen kan vergunning worden verleend om de desbetreffende wolf af te schieten. Ook mogen wolven worden verjaagd met behulp van licht, geluid of paintballgeweren. Staatssecretaris neemt deze maatregel omdat de situatie met probleemwolven verergert en hij niet wil wachten totdat de Tweede Kamer erover kan debatteren na het zomerreces. De regels gaan over twee weken in.

Van een probleemwolf is sprake als een wolf mensen verwonden of agressief bejegenen. Dat geldt ook voor een wolf die in twee weken tijd twee keer of vaker koeien, schapen, paarden e.d. aanvallen in een stal of achter een wolvenraster.

 

Afspraken over versnellen herstel gruttopopulatie

Het Rijk en zeven weidevogelprovincies hebben afspraken gemaakt om de bescherming van grutto’s in Aanvalsplan Grutto-gebieden te versterken. De inzet richt zich op 35 kansrijke leefgebieden van tenminste 2000 hectare. Per gebied wordt minimaal 1000 hectare optimaal ingericht en beheerd voor de grutto. Dat moet ertoe leiden dat dat de gruttopopulatie richting 2035 weer groeit.

Van de Noordwest-Europese gruttopopulatie leeft ongeveer 80% in Nederland. Deze populatie is in de laatste decennia afgenomen van 100.000 naar 30.000.De Europese Commissie heeft Nederland hierop aangesproken. De nieuwe afspraken moeten de gruttopopulatie laten groeien op plekken die daar het meest geschikt voor zijn. Het Rijk en de provincies hebben de volgende afspraken gemaakt:
– meer regie voor provincies, die per leefgebied een uitvoeringsprogramma opstellen;
– een gerichte gebiedsaanpak in grote, aaneengesloten leefgebieden;
– het in samenhang uitvoeren van maatregelen voor waterbeheer, agrarisch natuurbeheer en predatiebeheer;
– langjarige beheercontracten voor boeren mogelijk maken binnen de regeling Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), waarvoor het Rijk financiering biedt;
– het beschikbaar stellen van de benodigde financiering en instrumenten door het Rijk.
Waterschappen, agrarische collectieven, terreinbeheerders, boeren en andere gebiedspartners worden bij de uitvoering betrokken. De maatregelen moeten niet alleen de leefgebieden voor de grutto verbeteren maar ook goed uitpakken voor andere weidevogels, insecten en andere dieren in deze gebieden. Het Rijk stelt jaarlijks € 200 miljoen extra beschikbaar voor agrarisch natuurbeheer.

WUR-onderzoek: emissiereductie haalbaar met forse maatregelen en voldoende geld

De beleidsdoelstellingen voor 2030 en 2035 op het gebied van klimaat, stikstof, waterkwaliteit en natuur zijn haalbaar als forse maatregelen worden genomen en de financiële consequenties worden gedragen. Dat concludeert dr. Marion de Vries van Wageningen University & Research in de scenariostudie ‘Melken met Perspectief!?’. Recent beleid zorgt al voor een daling (op sectorniveau) van de totale ammoniakuitstoot en het gemiddelde stikstofbodemoverschot met circa 32%. De gemiddelde CO2-footprint daalt met 13% tussen 2022 en 2030. Deze daling wordt onder andere veroorzaakt door het wegvallen van de derogatie, lagere gebruiksnormen voor stikstof in NV-gebieden, krimp van de veestapel (12% minder koeien) en een lager ruw-eiwitgehalte in het rantsoen.

De onderzoekers keken naar twee ontwikkelrichtingen: een intensievere aanpak met integratie van innovatie en technologie, en een extensieve variant met een meer natuurinclusieve aanpak. In beide vormen is verdere emissiereductie mogelijk tot bijna de helft van het ammoniakemissieniveau van 2022 en met ongeveer een kwart van de methaanemissie. De intensieve variant leidt tot emissiereducties en efficiënt landgebruik per kg melk, maar ook tot minder weidegang, minder blijvend grasland en een lager aandeel voer van eigen land. De extensieve variant pakt gunstig uit voor weidegang, blijvend grasland, het areaal natuurbeheer en zelfvoorzienendheid. Wel is meer grond nodig per kg melk en daalt de melkproductie.

In beide scenario’s is de bedrijfseconomische impact voor bedrijven groot. De arbeidsopbrengst kan met tienduizenden euro’s per jaar dalen, nog los van aanvullende kosten van beleidsmaatregelen tussen 2022 en 2030. De effecten van de stikstofaanpak die recent is gepresenteerd, zijn nog niet meegenomen in het onderzoek.

Regenwormen: cruciaal voor de bodemkwaliteit

Het Louis Bolk Instituut heeft een publicatie gedeeld over het belang van regenwormen voor de bodemkwaliteit. Voor alle zes elementen die de bodemkwaliteit bepalen, zijn regenwormen van belang: gewas en beworteling, bodemstructuur, waterhuishouding, bodemchemie, organische stof en bodemleven. Wormen vormen in productief grasland circa 15% van het bodemleven. Ze graven door de bodemlagen en dragen zo bij aan behoud en verbetering van bodemstructuur, menging van bodemlagen, waterinfiltratie, doorluchting en beworteling. Wormen eten organisch materiaal en zetten zo gewasresten om in nutriënten. Daarnaast vormen ze het voedsel voor bovengrondse fauna als weidevogels en dassen.

Er zijn verschillende soorten regenwormen, onderverdeel: strooiselbewoners, bodembewoners en pendelaars. Strooiselbewoners leven met name in de eerste tien centimeter van de bodem. Bodembewoners eten zich een weg door de bovenste twintig centimeter en verbeteren daar de bodemstructuur. Pedelaars bewegen zich tot wel twee meter diep de bodem in. Daarmee leveren ze een belangrijke bijdrage aan de mate waarin water de bodem kan infiltreren en helpen ook planten om dieper te wortelen. Activiteit van wormen is af te leiden uit de aanwezigheid van molshopen (mollen eten veel wormen), wormenhoopjes en gewasresten.

Wormen hebben huisvesting, bescherming, water, zuurstof en voeding nodig. Wormen zijn daarnaast gebaat bij minder diepe en minder intensieve bewerking van de bodem en grondbewerking op momenten dat wormen minder actief zijn (als het koud en droog is). Verder is het raadzaam bij grondbewerking geen machines met draaiende delen te gebruiken.

Provincie Limburg stimuleert biologische landbouw

De provincie Limburg komt met een stimuleringsplan om het biologisch landbouwareaal te laten groeien van 3,35% nu naar 6,7% in 2030. Het Stimuleringsplan Biologische Landbouw 2026-2030 bevat meerdere stimuleringsregelingen, gericht op ondersteuning, vergroting afzetmarkt in Limburg, onderwijs, onderzoek, kennisdeling en belangenbehartiging. Omschakelende boeren kunnen rekenen op begeleiding bij bedrijfsinrichting, investeringen, financiële planning, risicomanagement en afzet. Aspecten als teeltkeuzes, bemesting en gewasbescherming zijn hier ook onderdeel van.

De provincie stelt een ‘onafhankelijke verbinder’ aan die zich in gaat zetten om de afzet van biologische producten te stimuleren, met name bij gemeenten, scholen, zorginstellingen en bedrijven. Bij nieuwe aanbestedingen voor catering moet het aandeel biologische voeding 15% zijn, oplopend naar 25%. Provincie Limburg draagt bij aan de verder ontwikkeling van de masterclass Biologische Landbouw van de HAS Green Academy. Er komt geld voor praktijkgericht onderzoek naar automatisering, robotisering en de aanpak van ziektes en plagen. Biologisch Limburg krijgt ondersteuning van de provincie voor het vervullen van de rol als belangenbehartiger en deler van kennis tussen ondernemers.

Kabinet wil actieplan Groei biologische productie en consumptie versnellen

In de vorige week gepubliceerde Kamerbrief met de stikstofplannen besteedt het Kabinet ook aandacht aan het stimuleren van de productie en consumptie van biologische producten. Een balans tussen de groei van zowel vraag als aanbod wordt onderstreept om gezonde marktverhoudingen te waarborgen. Biologische landbouw wordt als een van de ontwikkelpaden genoemd in de zonering rond Natura 2000-gebieden. Het ‘bewezen biologische verdienmodel’ biedt kansen voor boeren die biologisch willen extensiveren in deze zones èn daar buiten, zo stelt de brief. Daarmee dragen boeren bij aan een toekomstbestendige landbouw en een toekomstbestendig voedselsysteem.

Het versnellingsplan biedt kansen voor omschakeling naar biologisch voor alle boeren in Nederland, ook in de zones rond Natura 2000-gebieden en in beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden, waar gestuurd wordt op extensivering van agrarisch grondgebruik. De ambitie van een groei naar 15% biologisch landbouwareaal in 2030 blijft overeind. Het kabinet wil grondinstrumenten als afwaardering en pacht inzetten om extensivering te ondersteunen. Biologische grond moet behouden blijven en biologische boeren moeten worden geclusterd. De groei van het biologisch landbouwareaal vergroot het aantal boeren dat aan agrarisch natuurbeheer kan doen. Dat draagt ook bij aan het verdienmodel van boerenbedrijven. Het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL) biedt biologische boeren mogelijkheden om te investeren in biologische bedrijfsvoering. In meer dan de helft van de goedgekeurde aanvragen vanuit het IDL is omschakeling naar biologische een onderdeel.

Minister Van Essen benadrukt in de Kamerbrief het belang van een balans is tussen groei van dierlijk en plantaardig bij de groei van het biologische areaal. Er zal moeten worden gewerkt aan knelpunten in de keten, het verdienmodel voor boeren en vermindering van de administratieve lasten. Het kabinet wil hier middelen voor beschikbaar stellen. Andere, aanvullende maatregelen die worden beoogd zijn:
– Een eenmalige tegemoetkoming voor boeren die omschakelen naar biologisch,
– Een stimuleringsregeling voor omschakeling van kleine boeren naar biologisch,
– Een gedeeltelijke tegemoetkoming voor certificeringskosten (indien de omzet hoger is dan 80.000 euro),
– Zaakbegeleiding voor omschakelende boeren.

Stimuleren van vraag
Ketenafspraken moeten de vraag naar biologische producten vergroten. Het kabinet wil het percentage van biologische producten voor Rijkscatering verdubbelen van 25 naar 50%. In de zorg in Denemarken is gebleken dat hoge ambities haalbaar en betaalbaar zijn als ook rekening wordt gehouden met meer lokale en seizoensproducten. Al lopende initiatieven als de bio-regio’s, het marktprogramma van RVO, de consumentencampagnes worden voortgezet.

Kabinet presenteert stikstofplan

Het langverwachte stikstofplan is in Den Haag gepresenteerd. Het doel is een emissiereductie van 42 tot 46% in de landbouw en van 50% in industrie en mobiliteit. In vijftien zones van een kilometer rond kwetsbare Natura 2000-gebieden moet de stikstofuitstoot met meer dan 60% omlaag. Rond 85 andere Natura 2000-gebieden komt een beperkte zonering van 500 meter. De exacte doelen per gebied worden nog vastgesteld. Het kabinet wil verder investeren in natuurherstel en extra maatregelen nemen in gebieden waar de natuur er het slechtst voor staat. Daarbij worden ook effecten van bijvoorbeeld droogte meegenomen. In deze gebieden wordt biologische landbouw geopperd als ‘logische keuze’. Minister Van Essen richtte zich ook tot de consument tijdens de persconferentie. Door te kiezen voor biologische voeding kan de consument bijdragen aan de aanpak.

Centraal punt in de aanpak is dat boeren zelf aan het stuur zitten en kunnen kiezen uit stappen die bijdragen aan de doelen. De emissienorm wordt vastgesteld op 0,164 kg ammoniak per fosfaatrecht in 2035. De norm is gebaseerd op wat ondernemers met de best beschikbare technieken moeten kunnen bereiken op hun bedrijf, bijvoorbeeld door stal- of voeraanpassingen. Daarmee wordt een belangrijk deel van de landbouwopgave gerealiseerd. Het overige deel wordt ingevuld met het verminderen van de aanwending van mest, extensivering, vrijwillige beëindigingen en afroming van dierrechten bij overdracht buiten familieverband. Boeren die al flinke stappen hebben gezet gaan die terug zien in de bedrijfsnorm. Een gebied kan tot uiterlijk 1 januari 2028 een eigen aanpak opzetten om de druk op een Natura 2000-gebied te verminderen en te werken aan een goede staat van instandhouding. Als dit niet slaagt volgen generieke normen en maatregelen voor bedrijven. Boeren kunnen volgens de Kamerbrief  rekenen op ‘omvangrijke ondersteuning’, zowel in financieel opzicht als in begeleiding. Voor aanpassingen van onder meer stallen en voer, is 2 miljard euro beschikbaar. Het kabinet zet daarnaast in op extensivering door de invoering van een grondgebondenheidsnorm van 2,6 GVE/ha met o.a. ruimte voor samenwerkingsovereenkomsten met akkerbouwers.

Het kabinet belooft het wetsvoorstel met de nieuwe stikstofdoelen voor alle sectoren in oktober naar de Tweede Kamer te sturen. Alle maatregelen worden vastgelegd in een bijbehorend programma, waarmee een stevige juridische basis wordt gelegd om de vergunningverlening weer vlot te trekken. PAS-melders krijgen prioriteit en et kabinet verwacht dat het maatregelenpakket ‘een stevige basis biedt’ om handhavingsverzoeken te voorkomen. Vergunningverlening voor verduurzaming (emissiereductie) moet daarmee weer mogelijk worden. Salderen kan bijdragen aan het vergunnen van nieuwe projecten. Ook voert het kabinet zo snel mogelijk een rekenkundige ondergrens in. Activiteiten met een zeer beperkte stikstofneerslag hebben dan geen vergunning meer nodig. Dit maakt het realiseren van projecten met een beperkte stikstofneerslag, zoals in de woningbouw, energietransitie en infrastructuur, eenvoudiger.

Minister Van Essen benadrukte de samenhang in het maatregelenpakket. Alle onderdelen zijn met elkaar verbonden en resultaten worden alleen gehaald als naast maatregelen ook de benodigde ondersteuning wordt geboden. Voor het totale pakket aan maatregelen wordt 20 miljoen euro extra uitgetrokken.